Woordvindingsproblemen

Bij woordvindingsproblemen heeft een kind vaak moeite op een woord te komen (actief benoemen), terwijl dat woord wel in de woordenschat verankerd is. Het woord is wel bekend, maar het kind kan op dat moment het woord niet oproepen. Het kan voorkomen dat het kind op een moment spontaan gebruikt heeft, terwijl hij/zij dat woord op een ander moment niet kan vinden. Woordvindingsproblemen zijn dus onvoorspelbaar.
De ernst van de woordvindingsproblemen kan wisselen. Het probleem kan per kind, maar ook per moment verschillen. Vermoeidheid, spanning, emotioneel beladen situaties en tijdsdruk kunnen de ernst van de woordvindingsproblemen beïnvloeden.

Een kind met woordvindingsproblemen ondervindt problemen in de communicatie. Het kind is dan niet in staat de woorden op te roepen die het nodig heeft om iets te vertellen. Er ontstaan makkelijk misverstanden in de communicatie. Vaak heeft het kind problemen met het automatiseren (vlot oproepen van taal). Bijvoorbeeld het oproepen van losse klanken bij het aanvankelijk lezen, het oproepen van cijfers (dit zijn ook woorden) bij het aanleren van tafels en topografie en het oproepen van woorden.

Om het nadelige effect van de woordvindingsproblemen zo klein mogelijk te houden, kan zowel vanuit de omgeving als vanuit het kind gedacht worden.

  • De omgeving kan rekening houden met het kind door bijvoorbeeld het kind extra tijd te geven, een beginklank te geven, enzovoorts.
  • Het kind leert technieken aan waardoor het moeilijk oproepen van woorden, minder nadelig is. Bijvoorbeeld: het leren omschrijven van een woord.